VEERTIENDE HOOFDSTUK

„Ziezo,’ zei Petersen, toen de marskramer uit het gezicht ver dwenen was, „nou zalle we eerst de honden verloren voorwerpen laten opzoeken. Ga maar mee, Rob!”
Zij gingen naar buiten met de drie honden vlak achter hen aan. Zo hadden zij ’n paar minuten gelopen, toen Petersen zei:
„Vooruit, ga jij nou maar ergens je zakdoek verstoppen. Maar zó, dat zelfs de duvel ’m niet zou kunnen vinden. Als je klaar bent kom je maar terug!”
Rob ging alleen het bos in. Dicht bij een kruispunt van wegen, drong hij het kreupelhout in en daar, onder een hoop blaren, be groef hij zijn zakdoek in de grond, zodat je met geen mogelijk heid er iets meer van kon zien. Daarna keerde hij naar de stroper terug.
„Is ’t klaar?” vroeg Dirk.
„Ze vinden ’em nooit!” antwoordde Rob met een glunder gezicht.
„Nee? Nou dat zulle we dan es zien!”
Toen nam Petersen Rob zijn pull-over, hield die voor de neus van Nora en zei: „Ruik!”
Noor begroef zijn neus in Rob’s pull-over.
„Af!” riep Petersen.
De hond ging zitten.
„Zoek! Verloren... terug!” commandeerde de stroper en op hetzelfde ogenblik was de hond er al vandoor.
De andere honden wilden mee, maar Petersen wees even met zijn hand naar beneden en tegelijk lagen zij al onbeweeglijk naast de weg.
Noor liep met de neus bijna op de grond en hij volgde precies liet spoor, waar Rob even te voren gelopen had, zonder ook maar één moment naar links of rechts af te wijken. Toen schoot hij regelrecht het kreupelhout in, precies waar ook Rob het bospad ver laten had, groef met zijn neus in de blaren, waaronder de zakdoek verbolgen was, krabde even met zijn poten en kwam daarop kwispelstaartend met de doek in zijn bek naar Petersen en Rob terug.
„Nou, wat zeg je d’er van? Doet ie ’t goed?” vroeg Petersen, met trots naar zijn hond kijkend.
„Fijn!” riep Rob, één en al bewondering voor Noor en hij wilde de hond de zakdoek uit zijn bek nemen. Maar het dier gromde venijnig en Petersen riep lachend:
„Nee, jong, dat zal je niet glad zitten. Da’s alleen voor de baas!” Daarop de hand onder Noor’s bek houdend, zei hij zacht: „los!” en onmiddellijk daarop viel de zakdoek in Dirk’s hand.
Na Noor kwamen Wolf en Lady aan de beurt en met dezelfde onfeilbare zekerheid brachten zij alle voorwerpen, die Rob in het bos tussen de takken en onder de blaren begroef, terug.
„En nou gane we lange Dries opzoeken!” riep de stroper luid ruchtig, blijkbaar in zijn schik, dat hij Rob al dit moois kon laten zien.
Zij gingen, omdat dat volgens de stroper nodig was, eerst naar Tjot Idi terug. Maar op het weitje bracht de stroper nog even Rob in verrukking door de honden over een schutting van wel drie meter hoogte te laten klimmen. Rob had nog nooit zo iets gezien. Als katten klommen ze de schutting op, sprongen van boven zo naar beneden.
„Dat motten ze allemaal kennen, net zo goed als ’n steile ladder op en af klauteren. Anders deugen ze niet voor politiehond!”
Rob had rode wangen van opwinding. Hij had wel eens over dressuur van politiehonden gehoord, maar dat hij het nu zelf alle maal meemaakte en deze drie honden van Dirk waren, zijn nieuwe vrind, dat was voor hem een ongekende heerlijkheid. En even flit ste het door zijn hoofd: als de jongens dat nou eens zagen, Jan en Jaap Kroon, Bram Hoevers, Pim Termaten, Walter Termytelen en de anderen, wat zouden ze dan jaloers zijn op hem, de „dood verklaarde”.
Ze stonden weer onder de poort van Tjot Idi.
„Dries zal wel denken: waar blijven ze?” zei Petersen lachend. „Die denkt natuurlijk al, dat ie de honden te glad af is geweest, maar dan ken je ze kwalijk!”
Toen nam hij de vilten hoed van de marskramer, duwde hem weer tegen de neus van Noor en zei: „Ruik!”
„Nou, geef ik ’em lucht van de boef!” legde Dirk uit.
Daarop commandeerde hij, met zijn hand wijzend in de rich ting waar Dries verdwenen was: „Zoek!” en tegelijk ging Noor ervan door; nu met de kop in de lucht. Petersen en Rob volgden met de andere twee honden achter hem aan.
Het ging nu langs allerlei paden, zig-zag door het bos! Geen ogenblik weifelde de hond. Tot zij kwamen aan de rand van een weiland bij een sloot. Even stond de hond aarzelend stil. Toen op eens ging het met een sprong over de sloot.
„Wat nou?” vroeg Rob, die geen kans zag de sprong na te doen.
„O, wacht maar!” lachte Petersen. „Noor komt wel terug! Da’s natuurlijk ’n mop van lange Dries geweest; Die dacht de hond te pakken te nemen. Als ik over de sloot spring dan is ie m’n spoor kwijt! dacht ie. Jawel, kan je denken! Da’s wel met honden, die op warm spoor afgaan, die het spoor op de grond volgen. Maar mijn honden ruiken het spoor in de lucht. Zie je wel, daar komt Noor al terug!”
Met een vervaarlijke sprong jompte de hond, ’n dertig meter verder weer over de sloot, stoof het kreupelhout in.
„Dan zit ie hier dichtbij in het bos!” verklaarde Petersen met zekerheid en hij volgde met Rob de hond.
„Kijk, wat heb ik je gezegd, hier heit ie gelopen! Daar liggen de kapotte takken nog op de grond!” en de stroper raapte ’n paar dode takken op, die voor zijn voeten lagen.
Toen opeens stond de hond onder een dikke spar stil, stak zijn kop in de lucht en blafte schel en vervaarlijk. De andere twee honden begonnen mee te blaffen.
„Daar zal j’em hebben!” lachte Petersen.
„Ik zie niks!” zei Rob, die geen levend wezen in de omtrek ontdekte.
„Zo! Kijk dan maar es naar boven!” en Petersen schaterde het uit.
Rob keek omhoog. Boven in de spar, dicht bij de top, ontdekte hij lange Dries in zijn geel leren pak.
„Zit je daar goed, ouwe jongen?” riep de stroper, luidkeels lachend. „Nou blijf dan maar zitten! En daarop naar boven wij zend, riep hij tot de drie honden: „Pas op!”
De drie honden zaten al onder de boom, hadden de ogen niet van Dries afgewend.
„Nou kan ’k zeker wel naar benejen komen!” riep Dries.
„Wel ja, ga je gang maar!” antwoordde Petersen en hij gaf lachend Rob een por in zijn rug.
Langzaam zakte Dries naar omlaag, maar hij stond niet op de grond of de stroper commandeerde: „Vast!”
Tegelijk sprongen de drie honden op de lange marskramer af, zetten hun tanden in het leer en rukten en trokken aan hem, alsof zij hem zo wilden verscheuren.
Dries trapte en sloeg naar de hem attakerende honden, zo hard hij kon. Hoe meer hij van zich af sloeg, des te feller werden de honden.
„Roep die satanse beesten toch bij je!” schreeuwde Dries.
„Dan mot je ’t eerst vrindelijk vragen!” lachte de stroper!
„Loop naar de pomp!” was het antwoord.
„Da’s niet vrindelijk,” en Petersen brulde van het lachen.
„Schei nou uit met je flauwsies!” schreeuwde Dries, die er meer dan genoeg van kreeg.”
„Eerst vrindelijk vragen!” sarde Petersen.
„Verhip!” grauwde de marskramer.
„Nog niet vrindelijk genog!” lachte Dirk.
„As je me nou...” doch opeens veranderde de marskramer van toon en riep bijna smekend: „Vooruit nou, Dirk, wees nou niet flauw. Mot je nou ’n kameraad zo peste?”
„Zo is het braaf, boef,” grinnikte Petersen en hij commandeer de: „Af!”
Op hetzelfde ogenblik lieten de honden los, zaten op de grond bij de marskramer, de ogen strak op hem gericht.
Dries herademde. Hij had meer dan genoeg van het boef zijn.
„Ken ik nou bij jullie komen, Dirk?” vroeg hij, wantrouwend naar de drie honden kijkend.
„Probeer het maar!” lachte Dirk.
De marskramer had nog geen voet verzet, of de drie honden vlogen hem weer tegelijk aan. Stijf van schrik stond Dries stil. Op hetzelfde ogenblik heten de honden ook los.
„Mot dat nog lang zo duren?” vroeg de marskramer, die het spelletje hard begon te vervelen.
„Ze doen je toch geen kwaad!” gichelde Petersen. „Ze bijten toch niet door je leren broekie heen!”
„’k Heb d’er nou zat m’n bekomst van!” bromde de mars kramer. En hij herhaalde: „Schei nou es uit met die flauwsies.”
„Nou Rob, wat zeg jij d’er van? Zalle we de boef nou maar vrij laten?” vroeg de stroper grinnikend aan z’n nieuwe jeugdige vrind.
Rob was er wat verlegen onder en wist niet goed hoe hij zich houden moest. Hij knikte daarom maar gauw, zonder een woord te zeggen.
„Nou, Rob geeft permissie! Vooruit dan maar!” En toen com mandeerde Petersen met krachtige stem: „Hier!”
Op hetzelfde ogenblik renden de honden naar de stroper terug.
„Zie je Rob, dat is allereerst nodig, dat de honden goed onder appèl staan, anders kenne zulke spelletjes gevaarlijk worden! Braaf hoor, braaf!” zei hij daarop tot de honden, hen over de kop strelend. En daarop tot Dries: „Trek je pakkie maar weer uit! Je wor vrindelijk bedankt, Dries! We scheien d’er uit. We gane naar huis!”
„Nou, ’t werd tijd!” bromde Dries, die het zware leren pak los maakte en op de grond liet vallen.
„Da’s eenmaal maar nooit weer!”
Even later liepen zij met hun drieën, de twee oud-kolonialen en Rob, naar Tjot Idi terug.
„En wat zeg je d’er nou van, Rob? Zijn ze niet fijn gedresseerd?” zei Petersen, Rob op zijn schouders slaande.
„En of!” was het enthousiaste antwoord.
Even liep Rob zwijgend - nadenkend naast zijn nieuwe vrind. Toen vroeg hij: „Zouden ze dat allemaal nou ook doen voor ’n ander, voor ’n nieuwe baas?”
„Vast en zeker! Als ze maar even aan hem gewend zijn!”
Rob keek Petersen aan en wat verlegen kwam het er uit:
„Ook voor ’n jongen zoals ik?”
„Wel wis en drie!” bevestigde de stroper.
„Voor mij?”
„Waaarom niet voor jou?”
Rob kon het nauwelijks geloven.
„Als je eenmaal z’n baas zoudt wezen... ja, waarom niet?”
Opeens stond de stroper stil en vroeg:
„Wil je ’t es proberen?”
„Wat?”
Rob begreep het niet goed.
„Wil je ’n hond?”
Rob werd vuurrood.
„’n Hond?”
„Ja! Wil ie Noor van me hebben?”
„Noor?”
Rob geloofde zijn oren niet.
„Ja, Noor!”
„Dat meen je toch niet?”
„Ja wis en drie, meen ik ’t!”
„Ik... Noor?”
Het begon Rob te duizelen.
„Nou, als ik het toch zeg!”
„Dat kan toch niet!” stamelde Rob, geheel in de war.
„Wel saldrement, waarom kan dat niet? Ben jij Rob Felten of ben je ’t niet?”
„Jawel, mare...”
„Niks te maren!”
Rob kon niets meer zeggen. De gedachte alleen overweldigde hem. Een hond, een politiehond nog wel, die zó gedresseerd was, die alles kon, die apporteerde, die over hoge schuttingen klom, over grote sloten sprong, verloren voorwerpen kon opzoeken, die het spoor van ’n boef kon volgen, en hem aanviel als ’t nodig was, die alles deed, wat je commandeerde, het was te veel om zo opeens te bevatten.
„Nou vooruit, zeg nou „top!” en dan is ’t ie van jou!”
„Ja mare,” stotterde Rob weer.
„Loop naar de pomp! Wil j’em hebben of niet?”
„Natuurlijk... Graag!” stamelde Rob... „Mare...”
„Houd toch op met je gemaar! ’k Heb toch nog honden genog!” En toen stilstaande, zijn brede hand ophoudend: „Nou, als gedach tenis aan de ouwe koloniaal van Tjot Idi, hè? Wat zeg je nou?” Rob kon nauwelijks antwoorden. Hij was rood tot achter zijn oren en trilde van zenuwachtigheid.
„Graag!” zei hij hees.
„Vooruit, sla dan toe!”
Rob legde zijn kleine, tengere hand in de brede knuist van de stroper; Petersen sloeg met een stevige klets zijn andere hand op die van Rob.
„Dan is ’t ie van jou!”
En toen tot Noor:
„Ja Noor, kijk ’em maar eens goed an!”
De hond sloeg met zijn pluimige grote staart hevig heen en weer.
„Daar staat je nieuwe baas! De zoon van luit’nant Felten! ’n Betere kan je nooit krijgen! Wat zeg jij, Dries?”
Dries keek stom-verbaasd naar Petersen. ’n Herdershond, ’n ge dresseerde politiehond nog wel, die minstens enige honderden gul dens waard was, zo maar weg te geven aan een jongen die je voor ’t eerst van je leven ziet, daar moest je iemand als Dirk voor zijn!
Dries vond het „stapelmesjogge!” Hij haalde zijn schouders op en antwoordde niets.
„Nou, wat zeg je?” vroeg Petersen weer.
„Ik zeg niks!” was het wat nurkse antwoord.
„Dat hoeft ook niet! Als ik het maar zeg, wat jij Rob?”
„Dus je meent het echt?” vroeg Rob nog eens, die het maar niet kon geloven.
„Zeg, als je nou nog es begint dan slik ik et in!” zei Petersen. Toen bedacht Rob zich dat hij nog geen woord van dank had gezegd. En hij stotterde:
„Ik dank je wel, Dirk, ik dank je wel!”
„Schei nou toch uit! Ben je helemaal betoeterd? ’t Is me ook wat, ’n hond als je d’r zeven hebt! En jij bent toch niet de eerste de beste... de zoon van m’n brave, ouwe luit’nt!”
Rob kon niets meer zeggen; hij keek maar naar zijn hond, de prachtige herdershond, die nu zijn eigendom was. En voor het eerst streelde Rob Nora, zijn nieuw groot bezit, liefkozend over zijn kop. De hond kwispelde met zijn staart.
„Zie je wel, hij kent je al!” lachte Petersen.
„Het is net, of ie al weet, dat jij z’n nieuwe baas bent! Wat zal je moeder wel zeggen, als je met Nora bij haar komt?”
Zijn moeder!! Daar had Rob nog geen ogenblik aan gedacht. Ja, wat zou zijn moeder wel zeggen? Het was zo klein in hun bovenhuisje, dat er nauwelijks een hond bij kon. En dan - bedacht Rob zich met schrik - zo’n hond is duur, heel erg duur! Daar had je de honden-belasting en dan niet te vergeten z’n eten. Zo’n grote hond vrat natuurlijk vreselijk veel! Als ze dat maar konden be talen. Een donkere blos vloog over Rob’s wangen bij die gedachte alleen.
Maar als hij zelf, Rob, nu wat minder at, dan kon Noor immers zijn eten krijgen. Nee, dan kostte het ook niet zoveel! En als moe der Noor eenmaal had gezien, dan zou zij ’t ook zeker goed vinden, dan zou zij hem niet weer willen missen. Zo’n hond, zo’n prachtige gedresseerde hond kreeg je immers nooit weer.
En wat zouden de jongens wel zeggen, als zij hem tegen kwamen met een politiehond en als ze zagen wat Nora allemaal alzo kon. Dan zouden ze natuurlijk d’er bij komen om te zien wat hij Nora liet doen, maar dan konden ze naar de maan lopen, allemaal. Al leen Dolf Reevers zou het mogen zien, maar de anderen... ? Geen één in de hele stad had zo’n gedresseerde politiehond. En opeens duikelde Rob in zijn uitgelaten vreugde op zijn handen over zijn kop en riep: „’n Hond! ’n Hond! Ik heb ’n hond! Wat fijn! wat fijn!”

Zij stonden weer voor de poort van Tjot Idi.
„Nou jong, ik wil je niet wegjagen, maar nou mot je naar huis! ’t Is nog wel ’n twee uur fietsen naar de stad. Als je te laat thuis komt, laat je moeder je nooit meer naar Tjot Idi gaan.”
Petersen ging naar binnen en haalde Rob’s fiets.
„En hoe zalle we nou met de hond?” vroeg hij, zich achter het oor krabbend.
„Ja, hoe moet dat?” vroeg Rob, die wel begreep, dat Nora nooit rustig met hem mee zou gaan.
„Weet je wat,” stelde Petersen voor, „ik zal em deze week bij je thuis brengen. Is dat goed?”
Rob vond het prachtig.
„Maar dan mot je naar huis zonder ’n gedachtenis? Dat ken toch niet! Je moeder zou niet geloven, dat je bij Dirk op Tjot Idi was geweest. Hier, kom es mee!” en hij ging naar binnen, gevolgd door Rob.
„Daar, dat mot je van me meenemen, een Dajakse pijl en boog... en hier, deze Atjehse kris, da’s ook ’n fijn dingetje!” en Petersen haalde de wapens van de wand en legde ze voor Rob op tafel neer.
„Is dal voor mij?” vroeg Rob met schitterende ogen.
„Als ik ’t toch zeg!” lachte Petersen.
Rob kon nauwelijks bedanken, zo was hij in de war door alle goeie gaven van zijn vrind.
Maar lange Dries vond het te veel. De marskramer kon niet goed hebben dat Petersen die wapens, waarom hij zo vaak tever geefs had gevraagd, zo maar aan zulk een vreemde snoeshaan weggaf.
„Als ik jou was, zou ik alles maar aan die jongen weggeven!” zei hij korzelig.
„Och ja, waarom niet?” lachte Petersen. „Als ik daar nou zin nigheid in heb!” En toen tot Rob:
„En nou nog ’n glas tamarinde-stroop op de valreep, jong?”
Rob schrok toen hij het woord stroop hoorde en hij Dirk zijn hand naar de fles zag uitstrekken. Hij wist niet hoe gauw hij: „Dank je!” zou zeggen.
„Er is anders nog zat in, Rob!” riep Dirk en hij hield de fles tegen het licht.
„Nee, ik dank ècht!” zei Rob, die huiverde bij de gedachte alleen nog zo’n glas zure stroop te moeten opdrinken.
„Lust ie ’t niet?” vroeg Dirk verwonderd.
„Jawel, jawel,” stotterde Rob, „maar ik heb al pijn in m’n buik!”
„Zo! Nee, dan mot je niet meer drinken,” vond Dirk. „Maar wij nemen nog ’n glaasje hè, Dries?”
„Daar zeg ik niet „dank je” op!” zei de marskramer, die nooit weigerde, als hem een glas jenever werd aangeboden.
Petersen schonk weer twee glaasjes boordevol en zei, net als die morgen: „Santjes!” en de twee oud-kolonialen sloegen hun borrel weer in één teug om.
,,En nou gaan we naar huis, jong!” zei Dirk en hij bond Rob de Dajakse pijl en boog en de Atjehse kris op de rug. Toen gaf hij hem een stevige klets op zijn schouder en riep luidruchtig: „Adjuus, jong! Tot ziens! Je kom maar zoveel op Tjot Idi als je lust. Voor mijn part elke dag. En de hond krijg je deze week!” En toen nam hij afscheid met de Maleise groet: „Tabeh!”
„Tabeh!” zei Rob, omdat Petersen dat had gezegd.
„Tabeh!” riep lange Dries.
Daarna sprong Rob op zijn fiets en reed het bospad af.
Toen hij omkeek zag hij Dirk en lange Dries naast elkaar onder de poort staan.
Dirk stond te wuiven met een grote rode zakdoek, zo dikwijls Rob omkeek. En toen Rob met zijn Dajakse pijl en boog en zijn Atjehse kris op zijn rug een hoek was omgeslagen en niets meer van Tjot Idi zag, hoorde hij duidelijk een hoornsignaal achter zich. Het was de taptoe, die Dirk, de koloniaal, zijn nieuwe jeugdige vriend als afscheid nablies.